Spronken & Co Advocaten

31-08-2010
Verhaal van de maand Augustus 2010 : De Gestolen Dienstfiets


Als werkgever stelt u aan uw werknemers vaak roerende goederen ter beschikking in het kader van het uitoefenen van hun functie: een auto, een laptop, een mobiele telefoon, een dienstfiets, gereedschappen, een printer en nog veel meer. Over het gebruik daarvan wordt veelal iets opgenomen in de arbeidsovereenkomst, in de CAO, in een arbeidsreglement of in een aparte daarvoor bestemde regeling (autoregeling/laptop- & telefoonregeling/dienstfietsregeling/gereedschapsregeling).

Het financiŽle en fiscale belang bij deze vormen van terbeschikkingstelling (om niet) van al deze zaken is vaak groot, en de werknemers staan daar niet altijd bij stil en vinden het normaal dat zij een auto van de zaak afraggen, eindeloos mobiel bellen of diepgaand en soms ongeoorloofd internetten op kosten van de baas.

Allereerst is het - zeker bij grote bedrijven - zaak dat er een regeling bestaat, als er 25 of meer personeelsleden zijn die spullen van de zaak gebruiken wordt het financiŽle belang wel erg groot. Hetzelfde geldt voor telefoon- en ICT kosten, niemand staat er bij stil dat ook een telefoon van de zaak geld kost.

Natuurlijk zijn het secundaire arbeidsvoorwaarden die vaak in de kostprijs van het personeel vervat zijn, maar toch : wie het kleine niet eert is het grote niet weerd ... ...

Wat nu als de laptop gestolen wordt (met alle ellende van de verloren gegevens van dien) of de mobiele telefoon verloren wordt al dan niet na de weekendborrel ? Wie is de meest gerede partij om te verzekeren en wat is er gedaan om de diefstal te voorkomen? Een apart geval is de werknemer die vergeet een dienstfiets af te sluiten die vervolgens vrolijk voor het kantoor in het hartje van de stad gestolen wordt.

De werknemer is op basis van de Wet jegens de werkgever voor de hier bedoelde schade niet aansprakelijk, tenzij deze een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Van opzet is alleen sprake wanneer de werknemer een vooropgezet plan had om de schade te veroorzaken. Over het begrip bewuste roekeloosheid leert de Hoge Raad (HR 14 oktober 2005, JAR 2005, 271) dat voor een bewust roekeloos handelen is vereist dat de werknemer ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis zich daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging. Deze maatstaf strekt ertoe de werknemer te beschermen door bij de aan zijn schuld te stellen eisen rekening te houden met het ervaringsfeit dat de dagelijkse omgang met spullen van de werkgever de werknemer die deze gebruikt, er licht toe zal brengen niet alle voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van schade en ongelukken geraden is. Aannemelijk zal moeten zijn dat de werknemer zich op dat moment realiseerde dat hij zich van zijn gedraging behoorde te onthouden in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor in het leven geroepen gevaar. De bewijslast van feiten en omstandigheden die tot de conclusie leiden dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, rust op de werkgever.

De moraal van het verhaal is dat partijen zich ervan bewust moeten blijven dat het om (vaak veel) geld gaat en dat de werkgever zich moet afvragen of dit nu allemaal nodig is en de werknemer toch extra voorzichtig moet zijn met de spullen van de baas die at the end of the day toch ook een belangrijke beloningscomponent vormen.




Lťon Spronken & Amy van de Langenberg